
Recensie verhalenbundel ‘ Goudjakhals’ van Julien Ignacio
Overweldigend boek dat pijnigt en streelt
Door Michiel van den Berg
Met Goudjakhals won Julien Ignacio in februari de J.M.A. Biesheuvelprijs, de literaire prijs voor de beste Nederlandstalige verhalenbundel van de afgelopen twee jaar. Met zijn migrantenverhalen roept hij volgens de jury moeiteloos andere perspectieven, andere tijden en andere plekken op. Het is ‘een boek dat je binnenleidt in even vertrouwde als ongekende levens, die zich in je vastzetten als weerhaakjes, die je verleiden tot een grotere betrokkenheid met de wereld’. De jury noemt Goudjakhals bovendien vernieuwend, omdat het de grenzen van het genre opzoekt.
Ignacio (1969) is van Nederlands-Arubaanse afkomst. In 2018 verscheen van hem zijn debuutroman Kus over een vader die wordt geconfronteerd met de coma waarin zijn zoontje plotseling raakt. Daarnaast schreef Ignacio toneelteksten en verhalen.
Goudjakhals bestaat uit zes verhalen. Ignacio noemt het zelf liederen, gezien de ondertitel van het boek: ‘Songs of Freedom’. Elk van die liederen heeft een eigen decor en een eigen stem. Vijf van de zes verhalen delen als thema het ontheemd en ongewenst zijn. De titel van de bundel refereert daaraan. De goudjakhals is een wolfachtig beest dat in Zuid-Azië en Zuidoost-Europa leeft, maar inmiddels ook steeds vaker in Nederland rondzwerft en niet als een welkome aanvulling op de inheemse diersoorten wordt gezien.
In het openingsverhaal, GPS, zoekt een artificial intelligence contact met een Iraanse vluchteling die al drie jaar onder erbarmelijke omstandigheden in een vluchtelingenkamp op een Grieks eiland zit. Het silveren koord, verhaal twee, gaat over Zwarte Sjaan, een zeventiende-eeuwse zwarte prostituee in Amsterdam, die op de dag dat een Russische Tsaar de stad bezoekt, wordt terechtgesteld. Aan de galg vertelt ze in plat Amsterdams haar levensverhaal. Aandoenlijk is ze als ze in haar doodswanen meent haar minnaar, een kapitein op de verre vaart, voor zich te zien.
‘Ben jij het, soete lief, die voor mij staat? Mijn hert, mijn cupido? Nooit vonde mijn sinne een liever uur dan ons bekoorlijke minne. Same bouwen in hemel of hel, het was alles wat ik wou. Of ben je soms vergeten dat je de son en sleutel was voor mijn leve?‘
Het derde verhaal, Chatilat Road, bestaat uit een voortdenderende monoloog van een taxichauffeur in Beiroet die een belangrijke klant uit Nederland naar een vakantieadres brengt. Hij heeft de autodeuren vergrendeld en maakt een omweg om over zijn heftige jeugd als Palestijnse vluchteling te vertellen en een verzoek te doen voor zijn gevoelige broer Tarek.
In het daaropvolgende De Host zien we hoe het deze Tarek vervolgens vergaat. Het postmoderne verhaal bestaat uit brieven, een uitgeschreven podcast, transcripten van patiëntengesprekken en persoonlijke notities. Samen geven ze een impressionistisch beeld van Tarek. Hij is een talentvolle graffitikunstenaar die opvallende street art maakt onder de naam Deadboy. Zijn straathandtekening is zijn naam met eronder een jakhalskop. Na vijf jaar kunstacademie in Amsterdam loopt hij vast in de Nederlandse asielprocedure en bureaucratie. Hij ontwikkelt een dissociatieve identiteitsstoornis, met vier alter ego’s. Deze alter ego’s krijgen aan het eind van het verhaal elk een krachtige eigen stem, in de vorm van lange gedichten.
Het vijfde verhaal is een brief van de auteur aan schrijver Gerard Reve. Ondanks zijn bewondering voor de ‘stilistische brille’, rekent hij met de schrijver af vanwege zijn bewering dat zwarten ‘erfelijk minder begaafd’ zouden zijn dan blanken.
‘En God? ‘Als de Oneindige zich opnieuw in Levende Stof gevangen heeft, …, zal Hij miskend, verguisd en geranseld’ terugkeren als Zwarte Ezel. Hoogstens in staat een paar Smibanese [straattaal Amsterdam] lettergrepen te formuleren. Net genoeg om over je graf heen in je oor te balken: gekleurde broeder. Fuk jou swa.’
Het zowel humoristische als weemoedige slotverhaal Radio Gaga vertelt over Ma Mercedes, eigenaresse van een rumshop op Aruba, die in haar eentje haar half dozijn kinderen grootbrengt. Ze treurt om haar te vroeg overleden man, denk aan haar jongste zoon die in Nederland studeert en hoopt zijn vliegticket te kunnen hosselen als een politicus haar shop aandoet op verkiezingstournee.
Het is lang geleden dat ik een boek las dat zo hard binnenkwam. De expliciet beschreven lichamelijke martelingen en geestelijke verminkingen wuift men niet makkelijk weg. Het wat lichtere slotverhaal kan dat gevoel niet wegnemen. Je zou kunnen zeggen dat Ignacio er goed in slaagt het leed waarvan wij liever wegkijken over de bühne te brengen. Het engagement van de schrijver vindt wellicht zijn wortels in zijn gemengde afkomst en zijn in de Dank en verantwoording genoemde Palestijnse, Libanese en Iraanse vrienden. Het geeft de verhalen street credibility.
Waar de inhoud pijn doet, streelt de stijl. Dat Ignacio toneelschrijver is, blijkt uit alles. Het is razendknap hoe hij telkens een ander taalregister opentrekt en een nieuwe stem laat horen. Daarbij laat hij zich in de verhalen over Tarek en zijn broer ook nog eens inspireren door de Libanese zangeres Fairuz en dichter Mahmoud Darwish. Het is een groot plezier om die virtuoze taalstroom te ondergaan. Het levert compacte teksten op met tal van onderlinge verwevenheden, die het bij het schrijven van deze recensie de moeite waard maakte grote delen opnieuw te lezen.
Goudjakhals is een bij vlagen overweldigende verhalenbundel. Ignacio maakt invoelbaar wat de taxichauffeur in Chatilat Road zegt: ‘Taal, meneer, is identiteit. Een schat om te bewaren. Het huis waarin wij wonen.’
Auteur: Julien Ignacio
Titel: Goudjakhals
Uitgeverij: Van Oorschot
1e druk: 2024
ISBN: 9789028232037
288 pagina’s
Laat een reactie achter