Recensie van Niemand zal ergens om vragen van Serhi Zjadan
Een bundel van groot gewicht
Door Michiel van den Berg
Het is nu ruim viereneenhalfjaar geleden dat Rusland zijn grootschalige invasie van Oekraïne begon. Wat dat voor Oekraïne betekent kunnen we vrijwel dagelijks volgen via de media. Er is een frontlinie die nauwelijks verschuift, maar wel jaarlijks vele Oekraïense soldaten het leven kost. En er is het niet veroverde gebied, waar de Russische strijdkrachten de energievoorzieningen kapot bombarderen en woningen, scholen, winkels en treinen aanvallen. Wat we niet via de media vernemen is hoe het leven onder deze omstandigheden voor de individuele burgers is. Voor wie daar nieuwsgierig naar is, geeft Serhi Zjadan in Niemand zal ergens om vragen een indringende inkijk.
Serhi Zjadan (1974) is een van de bekendste en meest vertaalde Oekraïense schrijvers. In het voorjaar van 2022 sloot hij zich aan bij de 13de Brigade van de Nationale Garde, die zijn woonplaats Charkiv verdedigt. Hij werkt bij de communicatieafdeling, voorziet de bevolking van informatie en probeert het moreel hoog te houden. Dat doet hij door het leven in de belaagde stad te beschrijven. Twaalf van deze verhalen zijn nu gebundeld. Zijn inspiratie put hij uit de verhalen die hij om zich heen hoort.
Dit levert schijnbaar achteloos vertelde verhalen op, waaruit blijkt dat het gewone leven in Charkiv niet meer bestaat en dat vrijwel iedereen familieleden of vrienden heeft verloren. Zjadan giet het in simpele, maar o zo doeltreffende taal, waarbij hij de knock-out vaak voor de slotalinea’s bewaart. Uiteraard is er leed, afstomping en chronische vermoeidheid, maar er is ook tederheid, humor en opofferingsgezindheid.
De gevechten aan het front komen niet aan de orde. Ook niet in de gesprekken van de mensen. Men heeft de houding aangenomen dat het beter is elkaar er geen vragen over te stellen. Daarmee krijgt ook de titel van deze bundel, tevens de titel van het slotverhaal, betekenis. Zwijgen, zucht een van de personages, is het allerbeste.
Bij elk verhaal heeft Zjadan tekeningen gemaakt. Simpele zwart-wit tekeningen van al dan niet beschadigde flatgebouwen, elektriciteitsmasten, warmtekrachtcentrales, kale bomen en huizen met donkere ramen. Ze passen goed bij de toon van de verhalen. Overigens vermeldt het colofon niet dat Zjadan de tekeningen heeft gemaakt, maar valt dat af te leiden uit de Oekraïense bronnen.
Het openingsverhaal Roep me naar deze poort speelt acht dagen na het begin van de oorlog. De jonge Artem woont alleen.
‘Slapen deed hij op de vloer. Boven hem hingen de zwarte rechthoeken van de ramen. Niemand in de stad deed het licht aan. Het voelde alsof hij lag te slapen in het ruim van een schip waarvan de bemanning al een week aan land was en zich niet meer liet zien. Al de hele week lag de stad erbij als een dier met een geknakte ruggengraat: je zou wel willen helpen, maar huivert om dichterbij te komen.’
Samen met een vriend gaat hij naar een geëvacueerde buitenwijk van Charkiv, waar een ‘oud besje’ is blijven wonen, vermoedelijk gestorven. Inderdaad ligt ze sterk vermagerd en in dekens gewikkeld dood op de zitbank. Haar woning staat vol boeken. Ze was lerares, zegt een andere achtergebleven bewoner. Geboren in 1944. Een leven dat begon in de oorlog en eindigt in de oorlog. Ze wikkelen het lichaam in een plaid en leggen het achter in hun bestelbusje. Uit haar papieren valt een foto van een mager en verlegen meisje.
‘De foto was groezelig, vergeeld, alsof ze in de ochtendschemer stond. Ze stond daar vanuit het verleden naar de toekomst te kijken. In de toekomst wachtte haar een lang leven, in gelijke delen gevuld met goed en met kwaad. In de toekomst wachtten al die ongelezen boeken. In de toekomst wachtte de dood.’
In het verhaal Ik zal het licht achter iedereen uitdoen rijdt de jonge ik-figuur na een kerkdienst mee naar de begraafplaats met een geestelijk verzorger bij het leger. Eerst roken ze voor de kerk nog een sigaret.
‘De zon zorgde voor een gevoel van geborgenheid, alsof je in een krijtcirkel op de grond ging staan en onvindbaar werd voor de dood. Het liefst wilde je zo blijven staan en wachten, verblind door de zonnestralen, onder de krijsende vogels in de hemel, totdat de sigaret was opgerookt. Net als in je kindertijd: je staat naast je ouders, die je van de wereld afschermen, waardoor je je behaaglijk en kalm voelt. Je weet dat ze je zo nodig zullen beschermen, voor je zullen opkomen. Alleen zijn wij nu de volwassenen.’
Tijdens de autorit en op de begraafplaats raken de ik-figuur en de geestelijk verzorger in gesprek over God. Een dialoog over meerdere pagina’s, waarin het draait om de rechtvaardigheid van de dood. De geestelijk verzorger kan niet verklaren waarom god in deze oorlog zoveel onrecht toelaat. Uiteindelijk geeft hij toe dat god een probleem heeft.
‘Wat is Zijn probleem?’
‘God is liefde. Maar in hem is er ook een bepaalde plek waar geen liefde is.’
Ik begreep het niet. ‘Hoe dan? Dat is toch niet eerlijk?’
‘Misschien niet, nee.’
‘Dan is Hij dus geen absolute liefde?’
‘Dat wel. Maar er is een plek waar geen liefde is.’
‘En weet hij waar die plek zich bevindt?’
‘Nee.’
Net als in de andere tien verhalen laten deze verhalen zien dat onder druk van de oorlogsomstandigheden wezenlijke vragen over het leven op tafel komen te liggen. Zjadan is er een meester in om die in het voetlicht te zetten. Met dit boek van bescheiden formaat, ogenschijnlijk simpele verhalen en sobere tekeningen, schenkt Zjadan ons daarom een bundel van groot gewicht.
Auteur: Serhi Zjadan
Titel: Niemand zal ergens om vragen
Vertaling: Roman Nesterenco & Tobias Wals
Uitgeverij: De Geus
1e druk: 2026
Uitvoering: paperback
ISBN: 9789044551587
Laat een reactie achter